
Ik was een tijdschrift aan het lezen. Een heel normaal tijdschrift, zo’n twaalf in een dozijn blaadje. Lamlendig zat ik op de bank. Ik had nergens zin in en had verdriet om mijn zus. Tjee, was miste ik haar. Ik bladerde verder toen mijn oog viel op een stuk over dood gaan, gemis van dierbare. En ook over symboliek en tekens van hun zijn om ons heen.
Nu ben ik meer een bèta, een techneut, iemand met een technische achtergrond. Als je overigens iemand vraagt van de Technische Universiteit of Industrieel Ontwerpen een technische studie is dan lachen ze je vierkant uit. Ze noemen het een knip en plak studie, een knutsel studie of zoiets. Maar dat is een hele andere discussie.
Maar goed, normaal gesproken ben ik dus helemaal niet zo spiritueel aangelegd, niet zo gelovig in een groot aangestuurd geheel waarin er meer is dan leven op aarde. Alhoewel ik het ook niet wil afschieten, gewoon voor de zekerheid. Toch wel zo veilig, want stel dat er wel wat is… En zo niks is ook maar zo niks.
Na ja, dat dus. Dus ik begin te lezen over dat sommige mensen ervaren dat hun dierbare nog bij hen zijn en zich tonen in een bepaalde verschijningsvorm of als engeltje op hun schouder aanwezig zijn, beschermend voor grote gevaren. Niet uit te leggen maar er bestaan wel heel veel van dat soort verhalen… Het geeft in elk geval een bepaalde rust en een bepaald goed gevoel.
Lamlendig zeg ik: Nou zus, als je dan hier in de buurt bij mij bent, verschijn dan maar. Welke verschijningsvorm kies jij?”
Ik kijk wat rond in de kamer en mijn oog dwaalt naar de schuifpui waar achter onze tuin in een waterig herfstzonnetje de laatste stralen opvangt. En daar vliegt ze. Een mooie witgele vlinder. Dansend in een zuchtje wind, beschenen door de zon. Dwarrelend voor het raam. Ik zit er een tijdje met open mond naar te kijken, ik volg haar met mijn ogen. Ik durf nauwelijks te bewegen. Niet adem te halen. Bang dat ze snel al weer weg vliegt. Maar ze blijft lange tijd bij mij in onze tuin. Het gekke is het was helemaal geen vlindertijd. Ik had al tijden geen vlinders meer in de tuin gezien. En het bleef er ook op dat moment en tevens de weken daarna bij eentje. Die ene.
Hardop zeg ik dan ook: Haai Zus!
Het is niet dat ik nu geloof dat mijn zus daar rond vloog. Dat die vinder mijn zus was. Of dat als er een vlinder op mijn autoruit klapt dat zij dat dan is. Pffft, gelukkig niet zeg. Maar ergens geeft het me wel troost. Ik sta bij het zien van een vlinder weer even stil en denk bewust aan haar. En glimlach. En bij elke vlinder zeg ik nu dan ook bij mij zelf: “Haai Zus, wat leuk dat je even bij me bent.”

